Hij nam ons eens mee naar de vergadering van de gemeenteraad. Dat was toen nog in het Paleis Raadhuis. Via een deurtje in een van de ronde torens kwam je via een wenteltrap op de publieke tribune. De raad zat beneden, in ringen als een soort hoefijzer, voor de Burgemeester en zijn Wethouders. De wanden waren behangen met schilderijen van voormalige koninginnen en prinsessen. De zaal straalde een zekere voornaamheid uit dat je wel ontzag moest hebben voor het gemeentebestuur. In die vergadering werd besloten dat de St. Janschool mocht worden uitgebreid met een WC-paleis aan de achterkant ter vervanging van de toiletten buiten op de speelplaats en de school centrale verwarming kreeg ter vervanging van de grote kolenkachels. Kolenkachels waarvoor ik menig kolenkit heb vol geschept. Omdat wij ver van school woonden en na de kindermis niet meer naar huis konden om te gaan ontbijten mochten we direct uit de mis mee naar school. In het half uur voor de school begon kreeg je dan allerlei karweitjes op te knappen. Een daarvan was volscheppen van kolenkitten voor de kachels in de klassen. De komst van centrale verwarming maakte daar dus een eind aan.
We hadden in de klas ook een radio. We luisterden soms naar schoolradio een educatief programma wat speciaal werd uitgezonden voor leerlingen van de hoogste klassen. Toen op 1 februari 1953 de watersnood in Zeeland uitbrak stond vanaf die tijd de radio de hele dag aan om de berichten hierover te volgen. Een grote landkaart werd opgehangen en met knopspelden werd aangegeven hoever het water was opgerukt. De kaart van Zuidwest Nederland, met al zijn kleine plaatsjes waar we nog nooit van gehoord hadden, werd als aardrijkskundig project zo tevens ons bijgebracht. Weken aan een stuk hield dit onze aandacht vast.
Maar de 7e klas was de laatste klas van de lagere school. Na dit schooljaar zouden wij of gaan werken of naar de ambacht of textielschool gaan. Maar niet voordat we onze doopbeloften hadden hernieuwd. Om dat te kunnen doen moest je de hele catechismus kennen. In twee sessies werd die overhoord door de pastoor of een kapelaan. In mijn geval was dat kapelaan Zigenhorn. Deze geestelijke was voor zijn tijd zeer modern en trok veel met de jeugd op. Later, toen ik in Eindhoven werkte, heb ik hem daar nog eens ontmoet. Hij was toen pastoor van de St. Lambertus parochie in Gestel. Zijn manier van overhoren was niet van: "kan hij de tekst opdreunen, maar van snapt hij wat er achter die tekst schuil gaat". Steevast vroeg hij dan ook door en liet je in je eigen woorden vertellen wat de betekenis was. Zonodig vulde hij aan en gaf toelichting. Het was meer godsdienstles dan overhoren. Aan het eind vroeg hij dan ook of je van mening was dat je voldoende kennis had van het geloof. Hij was die mening volgens mij wel toegedaan omdat ik als aandenken aan deze hernieuwing van de doopbeloften kreeg uitgereikt een exemplaar van het Nieuwe Testament. Voorin zat een etiket geplakt met de tekst: "1ste prijs, toegekend aan Frans Looijkens, voor ijver en vordering in de godsdienstleer. W. van Beurden, Pastoor."
De foto toont Frater Wilbertus met zijn 7e klas, aangevuld met kleinere broertjes van enkele van die leerlingen.
Toegevoegd op: 09-07-2007, 11:56
bekijk alle bijdrages (17) van deze auteur







