Ad Spijkers’ Leoschool 1921-1927
In de klassen stonden grote kolomkachels die met mastappels aangemaakt werden en met kolen gestookt. Er stond iets in het frans op:
'Je brule tout l'hiver sans m'eteindre'.
Er moest soms 'n scherm voor de kachel gezet worden als de uitstraling
te groot werd.
Ik weet nog dat we onze eerste gymnastiekschoentjes kregen. Ik ruik de gummi nog. Meester Smulders was de gymnastiekonderwijzer in de gymnastiekzaal bij de school. In die zaal was ook een toneeltje waar patronaatsstukken opgevoerd werden zoals:
"Het paard op zolder". Ik ben ook ooit betrokken geweest bij een of ander Kerstspelletje, waarin ik alleen als figurantje meedeed. Ik weet nog dat ik toen erg verlegen en zenuwachtig was.
Onzen Bert en ik zongen in het jongenskoor "Roomse blijheid" onder leiding van Frater Leopold. Van hem hebben we noten lezen geleerd en viool spelen.
Rond Kerstmis werd er een bundeltje Kerstliedjes gedrukt op een cyclostyle.
De teksten werden met een speciale pen op een stencil geschreven die over een raam gespannen was. Een voor een moesten de bladzijden met een inktrol afgedrukt worden en dan in elkaar gestoken. Als we de nachtmis gezongen hadden, kregen we krentenbroodjes met ham en warme chocolademelk.
Ons Jo hielp wel eens mee om dat allemaal klaar te maken in de spreekkamer van de school, waar een gaskachel brandde.
We hadden in de klassen ook gaslicht. 's Winters werd dat wel eens aangedaan, als het 's middags al vroeg donker werd.
Op de speelplaats werd er natuurlijk 'geslibberd' als het gesneeuwd had.
De rest van het jaar was het 'katje poetje' of 'baren' en vooral 'oversprong' op verschillende manieren zoals 'klap-kas-afzak' of 'vuutje'. Daar ben ik eens ene keer lelijk bij gevallen, waardoor ik duizelig werd. Ze lieten wat water over mijn handen lopen en dat bracht me weer bij. Op zekeren dag liep onzen Bert hard het schoolpoortje uit, viel en brak zijnen arm. Hij werd naar het gasthuis (zo heette dat toen nog) in de Gasthuisstraat gebracht, waar hij onder narcose gebracht werd met chloroform voor zijnen arm gezet werd. Hij was later wel beroerd van die chloroform en moest er erg van 'spouwen'.
Als het hard waaide lag de speelplaats soms vol met vruchtjes van de lindebomen. Dat waren 'stiltjes' met een ‘bölleke' eraan. Als ge voorzichtig aan dat 'bölleke' trokt, liet dat los en trok een heel dun slijmerig draadje mee. We maakten daar 'n getje aon en paoltje’ van op onze hand. Als het erg stormde in de herfst, ging het er op de speelplaats wel 'ns wild toe. Dan werd er wel eens gevochten. Zo hebben onzen Bert en ik eens ooit 'gevochten' tegen de jongens van Smit, niet echt gemeen, gewoon maar een beetje naar elkaar schoppen en proberen het been van de tegenstander vast te pakken, zodat hij viel. De school heeft eens ooit meegedaan aan een hulde voor een gouden bruidspaar tegenover de Leoschool door het zingen van een lied.
Als het 's zomers goei weer was, gingen de 4de, 5de en 6de klas naar 'den duin'. De jongens van de 3de klas die heel goed opgepast hadden, mochten ook wel eens mee. Daar was ik ook bij! We gingen dan vlag veroveren en soms konden we ook wel eens 'dokkelen' in kleine vennekes in het duinzand.
Ge hadt nooit genoeg 'drinken' bij je. Dan gingen we wel eens bij enen boer water uit ene diepe put halen. Ge kondt in zo ene put echo roepen en ge zaagt ook wel kroos op het water in de put staan. Maar het was wel lekker koel water. En zo kwamen we dan weer 'muug' thuis, met zand in ons kousen en tussen ons tenen en soms met veel honger, als de boterhammen met de besmeerde kant in 't zand waren gevallen.
Sommige fraters hadden bijnamen. Frater Rudolpho was de ‘kubus', Frater Leopold was 'de zoeloe' en Frater Eleutherius was 'de neus'.
Ik weet nog dat Frater Christoffel rond 1924 als een van de eerste fraters naar Nederlands Oost Indië ging.
Met dank aan Ad Spijkers.
Foto van een Leoschool-klas rond 1900 (RAT 051302)
| Relaties met Stadsdelen: |
|---|







