In het restaurant lagen twee soorten kalenders klaar. De oprolkalender van rijstpapier of bamboe was er al zolang Hoi‑Shan zich kon herinneren. Later kwam er een moderne omklapkalender bij, steviger, kleurrijker en makkelijker op te hangen. Voor de familie waren het simpelweg promotieartikelen, maar voor de klanten een klein ritueel waarmee het nieuwe jaar begon.
De nacht van 31 december was voor het restaurant altijd bijzonder. Mensen verzamelden zich om middernacht buiten om naar het vuurwerk van de familie Mak te kijken. Zodra de laatste knallen wegstierven, schoven ze binnen aan. Het bleef die nacht nooit stil; Wah‑Sing was tot in de vroege ochtend open.
Terwijl Tilburg het jaar al had ingewisseld, leefde de familie Mak toe naar een ander moment: het Chinese Nieuwjaar. Dat nieuwe jaar begint niet op 31 december, maar volgt de maankalender. In 2026 valt de periode van het feest tussen 17 februari en 3 maart. Het is een tijd die voor Chinezen draait om familie, reizen en samen eten. Rond de officiële Nieuwjaarsdag zijn ze vijf dagen vrij, omdat iedereen naar familie terugkeert. Waar Nederlanders zich na het knallen op oudejaarsavond weer richten op het gewone leven, bereiden Chinezen zich voor op een tweede ronde vuurwerk om het monster nian te verjagen. Of dat in Nederland mag, blijft altijd afwachten, maar volgens Hoi‑Shan vinden Chinezen daar ongetwijfeld creatieve oplossingen voor.
De dierenriem speelt tijdens het nieuwe jaar een grote rol. Geen astrologische tekens zoals kreeft of steenbok, maar dieren zoals de rat, tijger, draak en het paard. Hoi‑Shan noemt nooit een jaartal wanneer iemand vraagt wanneer ze geboren is; ze noemt een dier. Tijdens hun gesprek werkt ze ondertussen aan een kunsteducatief programma voor het Wereldmuseum in Amsterdam. Ze moet nog een paard bouwen, zegt ze met een glimlach, want het komende jaar staat volledig in het teken van dat dier.
De geschiedenis van Chinese aanwezigheid in Tilburg gaat verder terug dan haar familie. Tijdens het Interbellum kwamen de eerste Chinese mannen naar Nederland om in de havens te werken. In Tilburg stonden ze bekend als de pindamannen, vanwege de zakjes pinda’s die ze verkochten. Vanaf de jaren 1950 ontstonden de eerste Chinese restaurants. In 1974 vestigden de ouders van Hoi‑Shan zich op het Wagnerplein. Ze waren nog geen twintig en waren Hongkong ontvlucht, dat toen arm en onveilig was. De Nederlandse vraag naar Aziatisch eten groeide snel, mede dankzij de komst van mensen uit Indonesië en de Molukken. De jonge restauranthouders werkten dag en nacht. Het restaurant was hun leven, hun toekomst, en ook een bron van inkomsten waarmee ze familie in Hongkong konden ondersteunen.
Inmiddels is het culinaire landschap veel breder geworden. Naast traditionele Chinese restaurants zijn er frietchinezen, sushizaken en loempiakramen. Voor Hoi‑Shan staan ze symbool voor dezelfde mentaliteit waarmee haar ouders ooit begonnen: hard werken, aanpakken en blijven doorgaan. In een stad van makers voelen de Chinezen zich thuis.
Stadsmuseum Tilburg